Als aanvulling op ‘Toen de melkbus nog an diek stond’ hierbij het verhaal van Liesbeth van Binsbergen, uit De 20ste eeuw in 20 verhalen en de bijbehorende illustratie van Ronald Heuninck.
Liesbeth van Binsbergen
Ik ben maar een bus…
Uit het dagboek van een melkbus (1960)
Ik ben maar een bus. Toch ben ik belangrijk, want wat moet een boer zonder mij? Ik draag een nummer en de naam van de zuivelfabriek waar ik dagelijks naartoe reis. Dat nummer hoort bij de boer die mij elke keer na melktijd tot de hals toe volgiet met schuimende, witte koemelk. Na het melken word ik aan de weg gezet, samen met de andere melkbussen van onze boer. Wij hebben allemaal hetzelfde nummer. Verderop staan bussen met een ander nummer, die horen bij een andere boer.
Als wij langs de weg staan, moeten we wachten tot we opgehaald worden. We horen de tractor altijd al van ver aankomen. Als hij er is, springt Klaas, de melkrijder, uit de cabine, grijpt ons aan beide oren vast en tilt ons op de melkwagen. Klaas is sterk, dat kun je zo wel zien. Derk, het zoontje van mijn boer, wil later ook melkrijder worden. Volgens Klaas moet hij dan flink spek eten, anders krijgt hij die volle bussen nooit van de grond. Dat komt wel goed, want Derk houdt van spek. Dat hoorde ik hem laatst zeggen tegen Klaas. Ik hoor trouwens veel. Vooral van de buurvrouwen vang ik heel wat verhalen op. De buurvrouwen kletsen met elkaar als ze ons ophalen bij de weg. Meestal hebben ze het over het weer en de was en de mensen uit de buurt. Vorige week vertelden ze dat iemand de bussen maar halfvol gegoten had. ‘Een schaande,’ hoorde ik Aaltje, de vrouw van mijn boer zeggen. ‘E dinkt zeker det e zoe kan laoten zien det ee meer koe’n hef dan oes.’
Klaas was er ook niet blij mee. Hij greep naar zijn rug en oei, wat keek hij kwaad. Hij plonsde de inhoud van de bussen bij elkaar in één melkbus. Daarna zette hij de lege bus terug; op de kop. Ik vermoed dat de boer de bussen toen vlug weggehaald heeft, want zoiets is inderdaad een schande. Eerlijk gezegd hoop ik niet dat ze dat ooit bij mij doen, maar je weet natuurlijk nooit. Een melkbus heeft nu eenmaal niet veel in te brengen.
Eén keer schaamde ik mij zo, ik durf het bijna niet te vertellen. Boer Jouk en Aaltje stonden klaar om naar het land te gaan. Ik was al aan de bagagedrager van de fiets vastgehaakt. Opeens liep Aaltje terug de boerderij in. Ze kwam naar buiten met een werkkiel en gooide die in mij. Dat was niet erg, dat gebeurt wel vaker, alleen… ze vergat om die kiel er weer uit te halen!
Zo kwam het dat ik aan de weg werd gezet met kielmelk in plaats van koemelk. Toen ze mij een uur later leeggoten bij de fabriek hoorde ik de werkmannen daar hard lachen. Als ik kon verkleuren was ik knalrood geworden. De kiel werd uit de melk gevist en ik werd terug op de rolbank geslingerd. Toen ik ’s middags weer langs De Diek afgezet werd, schaamde ik me nog steeds. Gelukkig kwam Aaltje me al gauw ophalen met haar melkkar. Ik zag de emmer met heet water en het bakje met zand al staan, naast het huis. Aaltje pakte een borstel en begon me te schrobben. Dat was geen fijn gevoel, maar tien minuten later stond ik trots te blinken op het blauwwitte melkrek tegen de muur.
Behalve melkbus en kielbus ben ik ook wel eens poppenbus*. Dan staat het dochtertje van mijn boer en boerin, de kleine Femmigje, met haar klompjes op mijn bodem. Aaltje schuift een tafeltje voor mij en legt daar een piepbeestje op. Zo kan Femmigje veilig spelen en Aaltje rustig schrobben.
Soms ben ik geldbus, dan heb ik geld onder mijn pet. Klinkt dat raar? Ik zal het proberen uit te leggen. Op donderdagmorgen, een keer in de twee weken, blaast melkrijder Klaas op zijn koperen toeter. Al weet ik dat het komt, toch schrik ik er altijd van. Wat een lawaai! Dat moet ook wel, anders weten de boeren en boerinnen niet dat ze moeten komen. Ik zie ze lopen, Aaltje en de buurvrouwen. Ze kijken altijd blij op zo’n donderdag. Logisch, want ze krijgen geld.
Als de boerinnen bij de melkwagen zijn, opent Klaas een kistje en zoekt naar de lichtbruine envelopjes met het juiste nummer. Op Aaltjes envelopje staat hetzelfde nummer als op mijn buik. In dat envelopje zit melkgeld, geld dat Jouk en Aaltje krijgen voor de melk die ze aan de fabriek geleverd hebben. Ik zie nooit hoeveel er precies in zit, dat laten ze mij niet zien.
Ik zie wel eens geld, hoor. Afgelopen vrijdag nog bijvoorbeeld. Vrijdag is het marktdag in Zwolle. Als de boer naar de veemarkt gaat, neemt hij altijd een flinke stapel bankbiljetten mee. Die stopt hij bij zijn sokken in of bewaart hij onder zijn pet. Zal daar ook wel eens een briefje van duizend gulden bij zitten? Duizend gulden… zoveel geld heb ik nog nooit gezien. Of ja toch wel, ik mag niet liegen. Maar misschien kan ik het beter niet zeggen. Je weet nooit wat mensen van plan zijn. Er zijn mensen die goed doen, maar ook die kwaad willen.
Een tijdje geleden hoorde ik de buurboerinnen over iets akeligs praten. Iemand had geprobeerd om in te breken bij de melkfabriek. Op woensdagavond, toen alle melkenvelopjes met inhoud op het kantoor lagen. Gelukkig kon de dief de kluis niet openkrijgen en moest hij met lege broekzakken naar huis terug. Wie weet hoeveel geld er wel in die kluis lag. Waarschijnlijk nog wel meer dan in de portemonnee van veekoopman Harm!
Harm komt geregeld hier op de boerderij. Niemand heeft zo’n dikke portemonnee als Harm. Briefjes van honderd en zelfs van duizend zitten erin. Hoe ik dat weet? Nou, op een dag, toen Harm was geweest, werden die briefjes in een geldkistje gestopt en dat geldkistje legde boerin Aaltje in mij. Wat voelde ik me toen rijk! Jammer dat ze mij daarna in de donkere, koude kelder zetten. Ik snap het wel, ze willen natuurlijk niet dat er iets met dat geld gebeurt. Er zou maar brand uitbreken, dan ben je alles kwijt.
Denk trouwens niet dat het altijd makkelijk is om een bus te zijn. Je staat buiten in weer en wind. En ook bussen kunnen zich zorgen maken. De laatste tijd denk ik bijvoorbeeld veel na over dit woord: spoelmachine. Jouk en Aaltje praten er steeds vaker over tijdens het melken. Een spoelmachine is een machine die melkbussen schoonmaakt. Bij de fabriek willen ze zo’n machine aanschaffen. Natuurlijk mag zo’n ding er komen van Aaltje, het scheelt haar een hoop werk en ze heeft al genoeg te doen. Maar ik als bus weet niet wat ik er van denken moet. Zal zo’n machine geen deuken en krassen geven? Niet om te zeggen dat ik ijdel ben, maar toch…
Jouk en Aaltje zijn trouwens zelf ook van plan om een machine aan te schaffen: een melkmachine. Zo’n apparaat zuigt de melk zo uit de spenen van de koe, zeggen ze. Hoe kan dat nou? Het lijkt mij maar een vreemd ding. En hebben ze mij dan nog wel nodig? Want dat zou toch wel het ergste zijn: dat ik helemaal aan de kant gezet wordt. Als een lege, metalen nietsnut. Maar nee, dat kan ik mij niet voorstellen. Niemand kan mij missen, toch?
Ik weet trouwens ook niet of de koeien wel blij zullen zijn met zo’n melkmachine. Zo’n ding maakt natuurlijk een hoop herrie en zo’n apparaat voelt vast anders aan de spenen dan de handen van de boer en de boerin. Maar ja, koeien hebben evenals melkbussen weinig in te brengen.
O kijk, daar komt Derk aan. Die jongen lijkt met de dag groter te worden. Ik word opgepakt en aan de melkfiets gehangen. Aan de andere kant van het bagagerekje komt nog een bus. Derk fluit een vrolijk deuntje. Hij wordt later vast ook boer, net als zijn vader. Hij wil al een melkdiploma halen, maar dat kan pas als hij zestien is. Derk tilt mijn deksel op en gooit er iets in. Plof. Zijn kiel! Nu maar hopen dat hij die er op tijd uithaalt. Maar ja, daar zal hij zelf aan moeten denken. Ik kan hem niet waarschuwen, ik ben tenslotte maar een bus…
Inmiddels is het 1995. Ik woon niet meer bij Jouk en Aaltje. Zij kregen een melktank. Een melktank! De melk wordt nu opgeslagen in een grote koeltank. Om de dag komt er een vrachtwagen met ook zo’n koeltank, maar dan een veel grotere. Hoeveel liter melk zou daar wel niet inpassen? Heel wat meer dan in een melkbus, in ieder geval. Alle melk gaat door een slang van de ene tank over naar de andere. Melkbussen hadden Jouk en Aaltje niet meer nodig, dus hebben ze me verkocht. Nu sta ik in de hal bij Aline en Bernard. Ik ben geen melkbus meer. Ook geen kielbus, poppenbus of geldbus. Noem mij maar paraplubus. Of ik dat erg vind? Ach, het lijkt mij altijd nog beter dan carbidbus…

Tip de redactie via WhatsApp! Voeg ’Weblog Staphorst' toe als contact in uw telefoon,
